Mijn account

The Gobl-Inn - De Schaduwen van Hydrida

Maak kennis met de hoofdpersonen uit dit verhaal

Gebaseerd op de Dungeons & Dragons

campagne: “De schaduwen van Hydrida” – 2021 – 2023


Een speciale dank naar de spelers Mathijs, Ron, Ming & Bryan voor het beleven, het eeuwige geduld en het waar maken van een wereld die verder ging dan de regels uit het boek.

Lavitha, een wereld zonder besef van tijd… Dag en nacht werden enkel ervaren als een concept. Uren… minuten… seconden… allen kropen voorbij, zonder blik of woord eraan verspild. Een wereld waar al eeuwenlang sprake was van totale vrede en ieder volk en dier recht had op een eigen stuk grond. Een leefgebied waar groei en bloei mogelijk was en geen enkeling de moeite nam zich daarmee te bemoeien…

Veruit het grootste continent, het ontwikkelde noorden, waar de mensheid zich al eeuwenlang genesteld had en waar vanuit een democratische gedachtegoed de grootste stad in Lavitha was opgebouwd; Gilla. In het noorden werd al eeuwenlang geregeerd door de Gillanians, en onder koning Gideon III had iedere bewoner op dit content recht op een stem. Gilla was een terugvalbasis in geval van nood, liggend aan de zee Ugron, dat van het Westen tot aan het Oosten strekte. De metershoge muren, gemaakt van zeldzaam witsteen gaf een gevoel van kracht en trots aan de duizenden inwoners en aan de miljoenen die zich over het continent in zowel grote als kleine dorpen bevonden. In het Noorden heerste samenhorigheid die koning Gideon III aan het begin van zijn heerschap had vastgelegd in het continentale wetboek, onder artikel I.I, geldend voor iedereen die zich bevond op het continent, zelfs voor de duizenden reizigers. Met wijsheid werd geregeerd en ontwikkelde het Noorden een grootmacht te land en te zee. Onder de voorgaande koning, Bastar II, werd het plaatselijke leger opgericht, de glorie. Met een harde maar eerlijke hand zorgden zij voor handhaving van de vrede en de democratie. De Gillanians was een naam van macht en werd door heel Lavitha gezien als een eervolle familie.

Het Oosten, een verstrekkend gebied dat grenst aan alle zeeën in Lavitha, een afgelegen en geïsoleerd eiland, gevuld met een natuur die nergens in Lavitha mooier was. Metershoge bomen, tientallen unieke diersoorten en prachtige bloemen vulden het landschap. Het gebied valt al zolang men kan herinneren onder leiding van de Drak’A-Ghul, een volk dat gezien wordt als half mens, en slechts met enkele woorden onderling communiceert. Het is een volk dat leeft onder de regel van de sterkste en een oneindige respect heeft voor de natuur en al haar wonderen. Leider Ganjruk heerste tientallen jaren en hield het miljoenen leger van de Drak’A-Ghul bij elkaar, zonder af te wijken van hun principes. Geen Drak’A-Ghul voelde de noodzaak om hem uit te dagen. Net onder het grote eiland, op een kleiner los eiland, op enkele dagen reisafstand, liggen de bergen van Gundar, bewoond door de tientallen verschillende aftakkingen Orcs, die in harmonie zorg droegen voor de vele schatten van Lavitha. Aan de voet van de bergen, in het meest dichtbegroeide bos, leefde het oudste ras van Lavitha, de elven. In het volledige Oosten was vrede, al eeuwenlang, ondanks de verschillen in al haar bewoners.

Het Westen, het meest mysterieuze continent van allemaal en voornamelijk gevuld met tientallen losse eilanden. De westelijke zee, genaamd Nandjur – oud Athen voor ‘onbeheersbaar’ -, was ruw en nooit stil, waardoor het enkel bewoonbaar bleek voor het meervolk en al haar zeewezens. Leider Kamuna stond bekend om zijn voorzichtige instelling en hield de rest van zijn volk veelal onderwater. Het meervolk zwom ieder jaar kilometers en maandenlang door de zeeën om te zorgen voor harmonie en rust. Eens per jaar kwamen zij, ietwat terughoudend, openlijk bovenwater om het nieuwe jaar te eren om vervolgens snel weer naar de veiligheid van de dieptes terug te keren.

Overal in Lavitha heerste veiligheid en een plek om te leven, behalve in het droge en warme Zuiden. Een kilometers lang uitgestrekt, kaal en voornamelijk verbrand gebied dat beheerst werd door de vulkaan Athor -oud Athen voor ‘actief’-. Dankzij het onvoorspelbare klimaat en het gebrek aan natuur zwommen er geen meervolk en ontweken de schepen van Gilla het continent. Maar in de schaduw van Athor ontstond een nieuw ras, een meer ontwikkelde versie van de huidige Athens die in Lavitha voornamelijk als mythe werden gezien. De laatste Athen die, volgens boeken, ontdekt was, stierf door het zwaard van de eerste koning van Gilla, Kenrith I. De verhalen over dat gevecht zijn eindeloos maar kennen ieder een eigen wending. In het duistere klimaat in het Zuiden ontwikkelde Edgar Drach, gezien als het grootste gevaar van Lavitha, een nieuwe versie van de Athens. Met behulp van de mythische tempels ontwikkelde hij een ras dat kon leven in het vuurachtige klimaat. Een loyale groep van zeven waren zijn eerste creatie, maar miljoenen zouden volgen. Edgar Drach, ooit een elf, was de reden dat de totale vrede in Lavitha langzaam tot een stilstand kwam. Het Oosten, waar de natuur, dieren en diverse rassen leefden in harmonie viel als eerste ten prooi aan zijn manipulatie. De Elven veranderden door zijn manipulatie in een duistere variant, de Orcs werden verraden en verdreven uit de bergen van Gundar en de Drak’A-Ghul werden bloedlustiger dan ooit tevoren. De oude maar gerespecteerde leider Ganjruk werd uitgedaagd en verslagen door de agressieve en vechtlustige Gàrok, waardoor het continent al haar eigen regels zou doorbreken. Het landschap begon te sterven en het was daar waar voor het eerst in eeuwen het wantrouwen en de dood heerste. Langzaam verspreidde deze ziekte zich over Lavitha en een voor een werden niet de overeenkomsten, maar de verschillen tussen rassen zichtbaar en gebruikt als motivatie tot oorlog. Een uiteindelijk onvermijdelijke oorlog… een oorlog waar nu naar wordt gerefereerd als de eindeloze oorlog.

Hoelang de eindeloze oorlog precies geduurd heeft óf wat de precieze aanleiding was is onduidelijk. Er zijn nu slechts herinneringen, gevormd door verhalen van anderen en geleden onder iets dat er voorheen niet toe deed; tijd. Een eindeloze oorlog die twee jaar geleden werd beëindigd door een op het eerste oog prachtige, onschuldige, jonge vrouw; Hydrida. De verhalen over haar ontsnapping uit de kerkers van Gilla zijn divers maar dat zij het beïnvloedde Noorden, het bloedlustige Oosten en het radeloze Westen liet knielen betekende het einde van de eindeloze oorlog. Zelfs Edgar, een emotieloos wezen, liet tekenen van angst zien toen hij moest buigen voor Hydrida. Er doen zich veel verhalen rond over deze prachtige, onschuldige, jonge vrouw. Ze werd op een nóg jongere leeftijd gevangen genomen in het Oosten, gedurende de tweede helft van de eindeloze oorlog en bracht de tijd door in de kerkers onder Gilla, de Balliskar. De kerkers staan bekend om de leegte en het gegalm van de eigen stem. Er is geen licht, geen fijne grond om op te zitten, geen bed om op te slapen en geen mogelijkheid tot een goed gesprek. De kerkers zijn dusdanig groot dat het voor nieuwe betreders makkelijk verdwalen is en naar alle waarschijnlijkheid en volgens alle verhalen heeft Hydrida er al die tijd doorgebracht in totale afsluiting, eenzaamheid en zonder licht. En toch, op de dag dat ze zou worden opgehangen voor het kasteel van koning Gideon III, op het grote plein voor de ogen van duizenden toeschouwers, wist ze te ontsnappen. Hydrida, de prachtige, onschuldig uitziende jonge vrouw bracht Lavitha terug naar een tijd waar de tijd er niet toe deed. Ieder continent en betekenisvol ras kreeg van haar één taak. Het Noorden, met de grootste schepenmacht, werd een wereldwijde verspreiding van voedsel en water opgelegd. Het Oosten kreeg de taak om de natuur weer op te bouwen en het Westen kreeg de taak om de wateren en diens gevaren onder controle te houden. Het Zuiden werd het strengst gestraft. Edgar kreeg de taak om te zorgen voor democratie, wereldwijd. Eenieder moest gehoord worden en het gevoel hebben van bestaansrecht. Als voornamelijk manipulatief en emotieloos wezen was dit voor hem bijna onmogelijk. Hydrida had Lavitha onder controle, al duurde het maar kort…

Tijdens een politieke afspraak met alle grote leiders in het Oosten, op een van de schepen vanuit Gilla, werd Hydrida vermoord. Hydrida, een prachtige, onschuldig uitziende, jonge vrouw, had slechts één moment van zwakte nodig om Lavitha weer in chaos te laten vervallen. Haar bezittingen werden toegeëigend, haar lichaam overboord gegooid. Terwijl het lichaam van Hydrida naar de bodem zonk, verspreide het nieuws over haar dood snel. Lavitha, een wereld waar de tijd er slechts even niet toe deed, werd wederom een plek van manipulatie, verderf en de dood. Wie Hydrida vermoord heeft en waarom is onduidelijk. De oudste zoon, prins Bastar III, van koning Gideon III en wettelijke opvolger van de troon was ook aanwezig op het schip. Zijn lichaam is nooit gevonden… Slechts enkele dagen na deze gebeurtenis stierf koning Gideon III, uit verdriet en ouderdom. Zijn jongste zoon, prins Kenrith IV, werd toegewezen als wettelijke troonopvolger. Het Oosten, nog lang niet hersteld van de eindeloze oorlog, werd nu voornamelijk bewoond door duizenden bloedlustige Drak’A-Ghul, geleid door Gàrok. Het meervolk in het Westen heeft zich teruggetrokken naar de dieptes en de veiligheid van de zee, waardoor de controle over de wateren en de wezens verloren is gegaan. En in het Zuiden plaatst Edgar zich opnieuw op zijn eigen gebouwde troon, glimlachend en klaar voor een nieuwe poging tot macht…

Lavitha is een aantal maanden geleden ten val gebracht en overal is dat zichtbaar…

Voorzichtig klom Tamruzir weer omhoog, kuchend van de pijn. De ketting, die een aantal seconden geleden nog brandde op zijn huid, leek tegelijkertijd met hem tot rust te komen. De beeldschone, jonge en onschuldig uitziende vrouw die tot hem gesproken had was verdwenen, als mist voor de zon. “Volg je lot…” waren haar laatste woorden geweest. Strompelend en nog steeds bijkomend kwam Tamruzir aan bij de houten emmer water die naast de deur stond. Het lauwe water voelde aan als een koud bad. “Waarom zag alleen ik haar?” vroeg hij zichzelf af, denkend aan de buurvrouw die met gefronste wenkbrauwen naar hem had gekeken alsof hij gek geworden was. “Neem wat rust Tamruzir, je ziet er moe uit”, had de oude dame uitgesproken waarna ze met gehaaste voet weer richting haar eigen huis was gevlucht. En waarom voelde de ketting zo warm aan op zijn huid? Wie was de vrouw die alleen hij had gezien? Zoveel vragen maar geen antwoorden. Tamruzir verlangde een kort moment naar het zijn leven ‘hiervoor’, waar hij op korte afstand van Gilla een simpel leven leidde. Samen met zijn ouders die altijd hard aan het werk waren om de voorraad zijde en stof minimaal te houden in hun winkel. Ieder hard verdiend stuk goud werd gespaard en overal waar kon werd bespaard. Hoewel Tamruzir nooit echt zijn plek kon vinden in die wereld was het op dit moment, waar hij geknield water over zijn hoofd aan het verdelen was, de wereld waar hij het meest naar verlangde. “Al een jaar geleden…” fluisterde hij in zichzelf. Een jonge Tamruzir, met een net geknipt kort kapsel, arriveerde hij in de drukte van Gilla, op zoek naar zijn mentor. Zijn ouders hadden een fortuin betaald om Tamruzir de benodigde vaardigheden bij te brengen waarvan zijn vader altijd zei: “Je bezit meer dan waar wij verstand van hebben jongen!”. Gilla, de stad waar met lof over gesproken werd was voor Tamruzir een nachtmerrie. Het nooit gedempte geluid, de altijd patrouillerende leden van de glorie en winkels die minstens tien keer groter waren dan dat ‘simpele’ winkeltje van zijn ouders. Pas toen Tamruzir zijn mentor, Gimlan, ontmoette vond hij enigszins rust. De altijd chagrijnige Gimlan had hem verwacht en het leek ook alsof hij hem had horen aankomen, ondanks de bepakte en luidruchtige omgeving van de taverne. “Ik wist dat je zou komen”, had hij als allereerste gezegd, zonder moment van voorstellen. Het had precies een avond geduurd dat ze het gezellig hadden gehad, pratend over wie Tamruzir was en wat hij nou precies wilde bereiken. “Ahhh… je wilt leren zwaardvechten! Doen we!” of “Ahhh… Je wilt leren incasseren! Doen we!”. Gimlan had overal zijn standaard “doen we” op geantwoord en Tamruzir was, hoe vreemd ook, volledig overtuigd geraakt van zijn kunde en talent. Gimlan, een gemiddeld uitziende oudere man met ietwat vet haar dat verstrooid naast zijn rode wangen hing. Zijn baard was vol, zijn kleren waren in tegenstelling tot die van andere Gilla inwoners meer ‘normaal’. Gimlan, een man die je met zijn uiterlijk liet twijfelen maar met zijn woorden overtuigde. Zijn blauwe ogen gaven een betoverend gevoel, een gevoel dat Tamruzir nooit begrepen heeft. In de ochtenden, met een drinkende Gimlan als toeschouwer, oefende Tamruzir zijn posities en gedurende de avonden was het tijd voor oefeningen met het zwaard. De middagen waren voor rust en om het huis van Gimlan schoon te maken, of boodschappen te doen, of de paarden te verzorgen. Om geld te verdienen moest Tamruzir zich aansluiten bij de stadswacht, een eervolle maar ondergewaardeerde functie binnen Gilla. “Als je ooit een glorie harnas aan wilt trekken, zal je tóch echt daar moeten beginnen!”. Het goud dat Tamruzir ermee verdiende, een simpele twee goudstukken per week, werden veelal door Gimlan genuttigd in de lokale taverne. Daar had hij de grootste mond, iedereen kende hem en langzaam werd ook Tamruzir onderdeel van de nachtelijke conversaties. Op de weg terug naar huis, waar Tamruzir vaak als ondersteuning werd gebruikt voor een strompelende Gimlan, werd hem medegedeeld welke oefeningen hij over een paar uur moest uitvoeren. “Jjjeee, moetjj, beterr wordennn”. Tamruzir oefende en oefende, dag in, dag uit. Iedere dag leek op elkaar, iedere nacht was hetzelfde, tot dat ene moment, gisteren. De avond begon zoals ieder ander, met de binnenkomst bij de taverne. Gimlan bestelde grote bekers bier, twee voor hem en een voor Tamruzir. Waar de charismatische Gimlan normaal vooraan stond bij ieder swingend nummer, was hij nu voornamelijk stil. Tamruzir had niet durven vragen waarom maar hield hem wel te been tijdens hun wandeling terug naar huis. Het regende hard, er waren een stuk minder leden van de glorie te been. “Sjtopp”, had Gimlan gecommandeerd in een zijstraat. Het was stil op straat, enkel de druppels op de losse stenen was hoorbaar. Gimlan had Tamruzir van zich afgeduwd en stond nu, op een meter van Tamruzir af, recht omhoog. Zijn haren hingen plakkend tegen zijn gezicht aan door de regen. “Hier en nu Tamruzir… laat zien wat je hebt geleerd…”. Hij leek nuchter, het slissen was verdwenen.
“Wat bedoel j…”
“NU!”.

Gimlan pakte een knots, die opvallend geplaatst stond tegen een huis, en gooide die naar Tamruzir en liep daarna op hem af. Tamruzir pakte de knots op maar wist niet wat hij moest doen. De twijfel sloeg toe maar die werd snel onderbroken door een klap op zijn gezicht. Tamruzir strompelde en verloor bijna zijn balans. Een straal bloed dreef vanuit zijn wenkbrauw over zijn wang. “Gimlan, wat doe je?”, vroeg hij met een ietwat wanhopige stem. Een tweede klap volgde. Een derde klap kwam niet kort daarna. Het ging zo snel allemaal dat Tamruzir niet eens doorhad dat er iets in hem knapte, zijn knots omhoog deed en de stilte van de nacht opgebroken werd door een dof klapgeluid. Toen Tamruzir zijn ogen weer opendeed en zijn blik helderder werd zag hij op de wang van Gimlan bloed en een diepe snee, maar ook een bezorgde blik. Daarna volgde een enorme pijnscheut. Tamruzir keek naar zijn schouder en zag dat ook hij geraakt was en het stuk harnas op zijn schouder afgebroken was. Een enorme wond was zichtbaar en een stuk bot stak uit. “In Hydrida’s naam… wat heb ik gedaan!”, schreeuwde Gimlan. Tamruzir zijn zicht werd wazig en hij voelde hoe zijn benen het begaven. Daarna werd het zwart.

Toen Tamruzir zijn ogen opende greep hij als eerste naar zijn schouder. Geen pijn meer, geen bloed… Was hij gek geworden? Tamruzir sprong op van het bed en waande zich in het huis van Gimlan, die op een afstand een grote slok nam van een beker, waarschijnlijk gevuld met bier. “Ik liet me gaan jongen… sorry”. Tamruzir begreep het niet en gedurende de komende uren werd hem dat ook niet veel duidelijker. Gimlan kwam verward over en leek in een haast. “Magie jongen… magie… gevuld met de woede van Hydrida”. Die naam was bekend, Tamruzir had over haar gehoord van zijn ouders die met niets anders dan lof over haar spraken. Op de achtergrond tikte de regen tegen het raam, het leek nog nacht en het enige licht dat bruikbaar was, waren de dansende vlammen van de kaarsen die op het kleine werkblad brandde. “Spreek hier nooit over jongen, daar magie door Koning Kenrith IV is verbannen sinds de dood van Hydrida”. Gimlan verzamelde snel spullen in een meer kapotte dan volledige zak die hij vervolgens over zijn schouders gooide. “Slechts enkel van ons kennen deze vorm van magie, ik moest je redden jongen… je ouders hebben me niet voor niets zo royaal betaald!”. Een aantal zaken werden Tamruzir toegegooid, waaronder een klein zakje goud, wat voedselbonnen die door Koning Kenrith IV verplicht waren gesteld voor het kopen van voedsel en een ketting. “Snel, doe die ketting om jongen… het zal je helpen als ik weg ben”. Tamruzir schrok. “Weg?”. Gimlan knikte. “Ze moeten weten dat er magie gebruikt is, ik mag niet worden gepakt, niet zeg ik je!”. Zijn toon klonk ernstig, ernstiger dan Tamruzir hem ooit had horen spreken. “Maar wat m…” Gimlan keek hem streng aan. “Doe… die… ketting om jongen!”. Tamruzir knikte en plaatste de ketting om zijn nek. Het voelde zwaarder aan dan de gemiddelde ketting. Gimlan kwam op hem aflopen en plaatste een hand op zijn schouder. “Zij zal je helpen jongen”. Met een laatste knik verliet Gimlan het huis waar Tamruzir bijna een jaar geleden als onwetende boerenjongen was komen binnenlopen. En nu, een aantal uren later, wist hij eindelijk voldoende kracht te herpakken om op te staan. Het zweet op zijn voorhoofd was ingewisseld door lauw water, de ketting op zijn borst was tot rust gekomen. De vrouw die hij gezien had leek op hoe Hydrida beschreven werd… maar was ze het echt? “Jouw reis staat op het punt van beginnen” had ze gefluisterd. “De ketting is één van mijn wapens Tamruzir… een gift en een last”. Tamruzir keek even door het raam, in de diepte van de nacht. Het leek uitgestorven buiten maar op een afstand hoorde hij stemmen. Zware stemmen, vergezeld door het geblaas van paarden. Het moest de glorie zijn aangezien Koning Kenrith IV geen verdere paarden toestond binnen de muren van Gilla. “Jij, Tamruzir, bent gezegend met de ketting van mijn moeder… een ketting die zich bindt aan de drager tot de dood zal scheiden”. Tamruzir had tijdens het gesprek een keer aan de ketting getrokken, zonder succes. Het leek aan hem vast te zitten en verdere strijd zou nutteloos zijn. “Volg je lot…” waren haar laatste woorden voordat de buurvrouw had geklopt om te kijken of alles goed ging. Ze had hem vast horen schreeuwen van pijn toen de ketting de naam van Hydrida riep. Ze had hard op de deur gebonkt, net zoals er nu gebeurde. De zware stemmen stonden voor de deur, het waren er veel. “Opendoen, in naam van Koning Kenrith IV!”. Tamruzir herkende de stem, het was die van Radkja, leider van de glorie en rechterhand van Kenrith. Tamruzir kende hem van zijn tijd bij de stadswacht waar de nieuwelingen door hem werden verwelkomd. “Ooit worden jullie, misschien, leden van de onsterfelijke glorie! Tot dan zeg ik succes en, misschien, vaarwel”. Tamruzir kreeg rillingen van hem maar wist dat het geen nut had om niet open te doen. “We hebben het huis omsingeld! Opendoen!!”. Tamruzir liep richting de deur, ze waren natuurlijk op zoek naar Gimlan. Voorzichtig werd de deur geopend. Niet alleen Radkja keek hem aan, maar nog zeker twintig andere leden van de glorie. “Gimlan is niet thuis…”. Radkja lachte. “Gimlan? We komen voor jou… meekomen, nu. In naam van Koning Kenrith IV!”. Tamruzir schrok. Het was de eerste keer dat iemand rechtstreeks naar hem had gevraagd, maar tegenspreken zat niet in zijn natuur. Hij knikte.
“Ik pak even wat spullen binnen”.
“Dat hoeft niet, Koning Kenrith IV wacht persoonlijk op je en heeft voorzien in alles dat je nodig zal hebben”.
“De Koning wacht op mij? Waarom?”.
“Meekomen. Nu.”.
De toon veranderde. Tamruzir knikte nogmaals en trok de deur achter zich dicht. Hij mocht plaatsnemen bij een van de glorie leden, achterop een prachtig wit paard. Tamruzir werd door deze agressief kijkende man vastgepakt en voordat hij het wist verdween het huis van Gimlan, zijn veilige haven gedurende het afgelopen jaar, uit het zicht. De regen kwam hard uit de lucht en sloeg tegen zijn gezicht, de ketting leek zich strak vast te nestelen aan zijn borstkast en het kasteel van Koning Kenrith IV kwam steeds dichterbij.